Ville de Dinant NL
Donjon van Crèvecoeur  

De ruïnes van de donjon van Crèvecœur

Op 87 km ten zuidoosten van Brussel en op 27 km van Namen, vanwaar de N17 die langs de linkeroever van de Maas loopt, naar BOUVIGNES leidt. Vrij en gratis te bezoeken. 

Op een rotspunt aan de linkeroever van de Maas, stroomopwaarts van Namen, torent het fort van Crèvecoeur uit boven Bouvignes. Sinds zijn ontstaan, en vooral in de veertiende eeuw (het tijdperk van de meeste overblijfselen ter plaatse), droeg het rechtstreeks bij tot het systeem om de stad Bouvignes en het graafschap Namen tegen Dinant en het prinsbisdom Luik te beschermen. De plattegrond is onregelmatig, omdat hij aangepast werd aan het terrein, en heeft een min of meer driehoekige vorm. Het geheel van zowat 25 op 36 meter is versterkt, maar niet residentieel en strekt zich uit over twee terrassen. Aan het uiteinde van de rots aan de Maas, staat onderaan een halfronde toren uit de vijftiende eeuw, terwijl hoger de donjon en zijn omwalling uit de veertiende eeuw nog te zien zijn. Een gracht die in de rots werd gegraven, scheidt het kasteel van het achterliggend plateau. Hierop bouwden de inwoners van Bouvignes een verdedigingslaan met grachten en bastions, waarvan vandaag niets meer rest. Van deze laan komt de mooie steen met een Sint-Andrieskruis en een halve kanonbal die op de La Val toren werd geplaatst. 
De donjon of ‘toren van Crèvecœur’ is het oudste gedeelte. Het werd omstreeks 1321 opgetrokken. Samen met het lager gelegen gravenkasteel uit de twaalfde eeuw stond het in voor de verdediging van de locatie tijdens de vele fases in de eindeloze strijd tussen de twee buursteden die eeuwen duurde. De donjon oogt ook vandaag nog als de traditionele afgelegen slottorens uit de twaalfde eeuw. De plattegrond is vierkant, met zijdes van ongeveer 10 meter. De muren zijn drie meter dik. In het zuidwesten bewaakt een rotspunt de meest blootgestelde flank. De muren van weinig verzorgde breuksteen zijn vreemd genoeg niet met elkaar verbonden, alsof ze afzonderlijk gebouwd werden. De breuksteenblokken in het noordwesten zijn het best bewaard en vertonen nog de sporen van de ophoging: op 2,20 meter van de bodem moesten vier holtes en drie kraagstenen een eerste vloer ondersteunen. Zowat 3,50 meter hoger wijst een insprong in de muur op nog een ander niveau. Daaronder is echter de opening van een gewelfde regenput met afgeplat tongewelf te zien. Misschien zijn de eerste gracht en de smalle muren in het oosten, van onbekende datum, de resten van een eerste omwalling die ongeveer in dezelfde periode als de meestertoren gebouwd werd? In 1388 vonden in elk geval grootscheepse werken plaats, onder leiding van een architect die de archieven ‘bouwmeester van de toren van Bouvignes, Godefroid Bofiaule’ of Bouffioux noemen. Ze hebben betrekking op een omwalling met een min of meer ovaal tracé, zonder torens maar wel rondom de donjon. In de richting van het plateau werd de bescherming gewaarborgd door een tweede gracht waar een ophaalbrug over liep. De muren zijn van zeer mooie hardsteen, die zorgvuldig gevoegd is met zeer harde rozige mortel. 
De steile hellingen in het noorden en zuiden worden bewaakt via een groot schietgat met nis. De noordelijke nis werd gedicht en is niet meer te zien. Nog steeds aan deze kant zou een massief van breukstenen kunnen wijzen op de trap van de courtine. Op de zuidelijke flank verbindt een nog ongeschonden trap de courtine met het kanonsgat.
In de vijftiende eeuw wordt Crèvecœur, een voornamelijk gemeentelijk fort, dus vergroot en onderhouden op kosten van de stad. Van deze fase dateren de halfronde toren, onder aan de primitieve donjon. De nieuwe constructie bracht ingrijpende veranderingen mee. In de muren van de omwalling uit de veertiende eeuw, aan de kant van de Maas, steken twee brede trappen, aan weerskanten van de donjon, die naar de recente toren leiden. Deze bestaat uit een omzeggens vierkante kamer en een halfronde toren. Onder deze toren bevindt zich een kelder met dezelfde plattegrond, die met een halfkoepel overwelfd is. Daarnaast opent een poterne op het zuidelijke ravijn.  Dit maakte niet enkel de bevoorrading mogelijk, maar bood ook een ontsnappingsweg (met ladders). Het kasteel werd buiten gebruik gesteld tijdens de belegering van Bouvignes door het leger van de Franse koning Hendrik II in 1554.
Er gebeurden echter wel restauraties tussen 1567 en 1580. De donjon werd later het symbool van het historisch verzet van de inwoners van Bouvignes door de eeuwen heen. Er vonden vanaf 1850 opgravingen en werken plaats om de site op te waarderen. Het huidig uitzicht is te danken aan de grootscheepse restauraties uit de jaren 1950-1951.

TE ZIEN IN DE OMGEVING:

De kerk van Bouvignes (gotiek), de ruïnes van het gravenkasteel, de Porte de La Val, de Porte Chevalier en haar courtines. Het Spaanse Huis (omstreeks 1570) met zijn elegante puntgevels met voluten. 

De ruïnes van de donjon van Crèvecœur:
GEMEENTE: Dinant-Bouvignes
PROVINCIE: Namen
EIGENAAR: Waals Gewest