Ville de Dinant NL
Hoe het begon  

Eerst was er…René Pleven

De verbroedering tussen Dinant-Dinan is nauw verbonden met een Bretoense prominente politieke figuur die in Dinan woonde, en zowat twintig jaar voorzitter was van de ‘Assemblée Nationale’ (Franse Nationale Vergadering of lagerhuis). Hij was ook vijftien keer minister, onder meer in de regeringen van generaal Charles de Gaulle en van Georges Pompidou. Deze man, in zekere zin de voorloper van de Europese gedachte, was René Pleven.

Begin de jaren vijftig stond de heer Pleven in de regering De Gaulle aan het hoofd van het Ministerie van Defensie. In die hoedanigheid werd hij uitgenodigd om de herdenkingsplechtigheden op het Frans kerkhof van La Belle Motte, op het grondgebied van Aiseau-Presles, op enkele kilometers van Charleroi, met zijn aanwezigheid te vereren. Op deze militaire begraafplaats in de uithoeken van Le Roux (Fosses-la-Ville) en van Falisolle (Sambreville), rusten 4.057 Normandische en Bretoense soldaten (uit Rennes, Vitré, Saint-Brieuc, maar ook uit Dinan), die in het gebied van de Beneden-Maas sneuvelden tijdens de felle gevechten in augustus 1914.

Tijdens de gesprekken vernam René Pleven tot zijn verrassing dat er in België een stad bestond die, net als zijn eigen woonplaats, Dinant heette. Maar dan wel met een ‘t’. Het idee voor een verbroedering was geboren

Dus gaf een Dinanese afvaardiging, op initiatief van de heer M. Pleven, te kennen dat ze graag aan de Maas wou ontvangen worden om het over een «verbroedering» te hebben. Deze afvaardiging bestond onder meer uit de heer Ernest Punelle, adjunct-burgemeester en later eerste voorzitter van het Verbroederingscomité van Dinan, en ook uit vertegenwoordigers van de toeristische dienst. Ze werden in juni 1953 ontvangen door de toenmalige burgemeester, de heer Léon Sasserath en zijn schepenen, de heren Auguste Peiffer en Joseph Abraham. Tegelijk werd onder de vleugels van de toeristische dienst van Dinant een comité gevormd met Albert Remy als voorzitter.

Om de goede stede Dinant extra tot haar recht te doen komen tijdens hun bezoek aan Bretagne, opperde burgemeester Sasserath om een folkloregroep in het leven te roepen. En dus stichtte Denise Remy-Wiart La Compagnie des Copères. En in september 1953 trok de eerste officiële Dinantse afvaardiging tijdens de handelsweek op haar beurt naar de Dinanese vrienden, om de verbroedering af te ronden. Onder meer burgemeester Sasserath, schepenen Abraham en Peiffer, de voorzitter van het ‘Syndicat d’Initiative’ Albert Remy en uiteraard de jonge dansers van de Compagnie des Copères waren van de partij.

Bij aankomst in ‘Armorique’, kreeg de Belgische afvaardiging een warm onthaal van de Franse ‘broeders’, zoals blijkt uit het artikel in het Franse dagblad Les Nouvelles de Bretagne, in zijn editie van 21 september 1953: « … Onze Belgische vrienden werden door de oude stad naar het stadhuis geleid en kregen toen ze de uit de bus stapten een heuse ovatie van enkele honderden Dinanezen die spontaan kwamen toegelopen».

«Deze Handelsweek werd afgesloten in het teken van de Frans-Belgische vriendschap», stond verder nog te lezen in Les Nouvelles de Bretagne. Meer dan 10.000 mensen hadden zich langs het parcours opgesteld voor de prachtige stoet van praalwagens waarin, naast een dertigtal Franse groepen, ook de Compagnie des Copères opstapte. De Copères, - 13 meisjes en 16 jongens die dansten en zongen, en ook zes saxofonisten, zorgden voor sensatie in de straten van Dinan. 

Toen het op die 22 september 1953 tijd werd om afscheid te nemen, vormden de Dinanezen en de Dinantezen een grote keten van vriendschap en beloofden om elkaar snel terug te zien. Het lot van beide steden was voorgoed verweven


Isabelle Montulet

Uittreksel uit de brochure Dinant-Dinan: 50 ans d’Amitié (1953-1978)