Ville de Dinant NL
Het kasteel van Bouvignes  

In het zuidelijke deel van Bouvignes roept het kasteel en z'n park nog steeds trouw het beeld op van wat het was onder het Oud Regime nl.het kanunnikenklooster van Saint-Sépulcre. Aan de buitenkant is er weinig veranderd. De 2 bouwgronden(17e en begin 18e eeuw) vermengen zich duidelijk . Een majestueuze vleugel domineert een bescheidener gelegen gebouw die nu op de oorspronkelijke plaats van het kasteel ligt.
De religieuzen en het klooster van Bouvignes
De oorsprong van de orde van de kanunniken van Saint-Sépulcre gaat terug tot Gilles de Berlaymont die de orde oprichtte in 1099 dicht bij de kerk van Saint-Sépulcre in Jeruzalem. De vrouwelijke vertakking van de orde werd in de 16e eeuw opgericht door Jean d'Abroek. Er werden 2 huizen opgericht nl. Tongeren en Luik. Nadien stichtte het huis van Luik 3 kloosters nl.St. Trond, Visé en Luik. Het klooster van Tongeren beslist een huis op te richten in Bouvignes in de 17e eeuw. De eerste aanvraag rond 1650 wordt geweigerd. De gemeentelijke afgevaardigden en de bewoners van Bouvignes reageren aarzelend omdat ze vinden dat ze geen belastingen betalen en dat de kloosterhuizen over het algemeen veel grond bezitten. In 1664 formuleert het klooster van Luik een nieuwe aanvraag met als motivering het verstrekken van onderwijs aan jonge meisjes (10-18jaar). De aanvraag wordt enthousiast onthaald door de magistraat van Bouvignes maar de Raad van Namen weigert. Dankzij de voorspraak van de koning van Spanje( Charles 2) wordt er in 1666 een akkoord gesloten. De eerste religieuzen van Tongeren vestigen zich vanaf 1666 voorlopig in een huis gesitueerd in de rue des Lombards in Bouvignes waar ze een school openen. Ze verkrijgen in 1669 een ruim terrein gelegen tussen La Brèche en le rue de l'étuve. In 1670 beginnen ze met de bouw van een nieuw klooster (oude wijk). Het gebouw wordt 22 meter lang en 12 meter breed. Om dit tot een goed einde te brengen moeten ze veel geld lenen aan verscheidene mensen. Vervolgens kopen ze ook huizen in ruïnes en grote terreinen in de rue des Lombards.
In 1671 bouwen ze een afscheidingsmuur rond hun eigendom met de rue de puits en het zuidelijke deel van de rue d'en haut inbegrepen. De betwistingen volgen vlug daarop maar worden slechts in 1680 opgelost als Charles 2 de religieuzen de toestemming geeft om de 2 straten in hun domein op te nemen als ze de wegen bruikbaar maken. Ze openen dus een nieuwe straat (verlenging van la rue Richier tussen de hoge muren) maar het domein wordt daarbij in 2 gesplitst. Tijdens de Franse bezetting (1683-1698) krijgen de geestelijken het graafskasteel « la Montagne des Béguines »(de begijnenberg). Ze bouwen een loopbrug boven de straat. De eerste kapel is aan het zuidelijke deel van het eerste gebouw gebouwd. Rond 1690 krijgen ze plaatsgebrek maar de financiële middelen ontbreken voor de uitbreiding van hun huis. Slechts rond 1700 beginnen ze aan de bouw van een nieuwe vleugel. Het bakstenen gebouw wordt gebouwd tegen de sterke helling van het terrein. De begane grond in het westen lijkt op die in het oosten. Het meet 37 meter lang en 12 breed met 3 niveaus. Les combles comptent 2 étages à 3 niveaux de lucarnes. De oude buurt wordt rond 1713 hervormd. Het vastgoed van het klooster kwam hoofdzakelijk van schenkingen door de ouders van de religieuzen. De geestelijken konden voorzien in hun onderhoud door te leven van de opbrengst van de rente. Aan de Franse revolutie bekomen ze het recht om in hun huis te blijven tot 1796 op voorwaarde dat ze onderwijs blijven verschaffen.

De residentie van een industrieel

De orde verliest z'n functie in 1797 ondanks de tussenkomst van het gemeentebestuur. De goederen worden verkocht aan Antoine-François Amand (1749-1834). Hij was het hoofd van de smederijen in Ermeton-sur-Biert en gehuwd met een Bouvignoise in 1782. Hij was van plan zich in de regio te vestigen en er zaken in de staalindustrie te leiden (Vaux, la Gayolle in Evrehailles, le Redeau in Yvoir, les Forges in Anseremme en Moniat in 1801).
Rond 1820 past de architect Duckers (verantwoordelijk voor de bouw van het koninklijk theater van Luik) het landgoed aan voor zijn nieuwe functie nl. de woonst van een belangrijke industrieel in de regio. Vooral het rechter gedeelte wordt aangepast. De kapel wordt verwijderd, de ramen vergroot en een balkon met 3 deuren bijgebouwd. Deze voorgevel is wat men vandaag nog kan zien aan het kasteel.
Alexander( de eerste) zoon van Antoine-Joseph neemt in 1822 het lot van de ondernemingen in handen. Hij huwt de baronnes van Mendieta (ze overlijdt in 1832). Deze voormalige officier van het leger van Napoleon was een echte zakenman. Hij moest niet enkel de verschillende fabrieken leiden die hij bezat maar moest ook het werk coördineren van een aanzienlijk aantal mensen. Men mag niet vergeten dat er vele arbeiders werkten rond de hoogovens. In het bijzonder de binnenschippers die voor de bevoorrading van erts en hout zorgden, de vrachtrijders, de mijnwerkers. De fabricatie is een kunst en de hoofdstichter is de kunstenaar. Z'n ondernemingen die het hard te verduren kregen door de uitbreiding van de bekken van Luik en Charleroi(spoorweg, kolen) moesten één na één hun deuren sluiten. Moniat was de laatste in 1864.