Ville de Dinant NL
Het graafskasteel van Bouvignes  

De ruïnes van het binnengedeelte van het kasteel van Bouvignes zijn bijna volledig uit het landschap verdwenen. Een zeer dichte plantengroei bedekt het geheel van deze oude burcht van de graven van Namen.
Chronologische en historische gegevens
Onder de oude bronnen betreffende de geschiedenis van het kasteel vermelden we Jean-Baptiste GRAMAYE. Deze kroniekschrijver meldt dat het kasteel belegerd en vernield werd door de Nomaden in 882. Maar was er in de 9e eeuw al een kasteel? Deze stelling lijkt verkeerd te zijn. De oude tekst waar Gramaye beroep op deed spreekt over de  toeverlaat van de monniken van de abdij van Stavelot in Villa Boviniacum. Gramaye situeert dit in Bouvignes maar volgens F. Cajot gaat het hier over Bogny, een plaats gesitueerd in het departement van de Franse Ardennen. Gramaye schrijft ook dat de eerste graaf het kasteel in leengoed bezat van de keizer Béranger(?-946) en situeert deze infeodatie rond 932 of 940.Paradoxaal brengt Gramaye naar voor dat de graaf Godefroid (1067-1139) het kasteel oprichtte in 1110! We stellen dus vast dat hetgeen deze kroniekschrijver meldt niet altijd correct is.
In de 11e eeuw zijn de graven van Namen-die zich beetje per beetje de voorrechten van de keizer eigen maakten-in conflict met de prins-bisschop van Luik voor het bezit van Dinant. Een getuigeschrift dat dateert van 1070 gegeven door de keizer moet worden beschouwd als een hoofdelement in het belang en de ontwikkeling van Bouvignes in het vervolg van de geschiedenis.
Inderdaad, het stelt dat de graaf al zijn rechten die hij uitoefende in Dinant en het kasteel verloor aan de prins-bisschop. Het getuigschrift stelt wel dat de graaf niet al z'n macht verliest en die nog 80 jaar lang uitoefende. Tijdens dit interval mogen we de opbouw van de slottoren en z'n omsluiting van Bouvignes situeren. Een symbool van de feodale macht...In die tijd was Bouvignes nauwelijks een obscuur gehucht, een klein dorp dat deel uitmaakte de buitenwijken van Dinant. Er valt niet met zekerheid te stellen wie de opbouw van Bouvignes beval. Graaf Albert 3(1063-1102), Godefroid of Henry l'Aveugle (1115-1196). Echter, het bewind van Graaf Albert 3 wordt gekenmerkt door niet afhoudende geschillen met de prins-bisschop van Luik. Door de opbouw van een versterkte burcht 2 km van Dinant maakt de graaf zijn standpunt wel duidelijk. Het werd als het ware een stad in een stad. Het einde van het bewind van Henry l'Aveugle werd gemarkeerd door een geschil met z'n neef Baudouin 5, graaf van Henegouwen. Deze laatste, die z'n rechten eiste van de graaf van Namen, heeft in 1188 met succes het kasteel in Bouvignes belegerd. Ermesinde van Namen(1187-1246), de enige dochter van Henry l'Aveugle, probeerde ook haar rechten te laten gelden tegen de graaf van Namen. Met de hulp van haar tweede echtgenoot, Walerand van Limburg(?-1226), belegerden ze het kasteel in 1224 maar zonder succes. Onder het bewind van Phillipe 2 de Courtenay werd het kasteel van Bouvignes het administratief centrum van een  bailliage(1216-1224). Op het einde van de 13e eeuw onstond er een verschrikkelijk conflict, een onverbiddelijke oorlog van meer dan vierhonderd jaar die Bouvignes en Dinant van elkaar afscheurden.  De sluimerende rivaliteit tussen de graaf van Namen en de prins-bisschop van Luik kon niet blijven aanslepen en in 1321 begaf het bisschoppelijke leger zich van Namen naar Bouvignes. Het leger, vastbesloten in z'n gevecht tegen het luikse leger, was zo goed georganiseerd en had een zodanig goed werkende versterkingssysteem dat ze de tegenstanders dwongen het beleg op te breken na 41 dagen. Na een betrekkelijke rustperiode, hervatte het leger in 1430 met een uiterst geweld z'n gevecht. Het luikse, hutoise,en dinantse leger  vernielde Poilvache en belegerden nogmaals Bouvignes. Hun krachtige oorlogstuigen vielen onontbeerlijk de buitenmuur van Bouvignes aan maar de vastbeslotenheid van de verdediger was onaantastbaar. Na een lange en pijnlijke belegering hief het luikse leger de blokkades op, eind augustus 1430. De beroemde legende van de 3 dames van Crèvecoeur hangt samen met deze belegering en niet (zoals de traditie het wil) met de belegering van de Fransen in 1554. In augustus 1466 beslisten Phillipe le Bon, hertog van Bourgogne, en zijn zoon Charles de Téméraire in het kasteel van Bouvignes de vernieling en plundering van Dinant.
De stad Bouvignes en z'n kasteel werden grotendeels vernield en ondergingen plunderingen tijdens de invasie van de streek door de legers van de koning van Frankrijk, Henry 2 in julli1554. De getuigenis van P. De CROONENDAEL onthult dat in 1584 enkele bouwwerken van het kasteel nog bestonden maar dat ze dienden als steengroeve voor de inwoners .
De Spaanse overheid beval in 1672 de ontmanteling van de burcht in Bouvignes. Natuurlijk is het kasteel in dit bevel inbegrepen, maar ten oordelen aan een tekst van een graaf van het domein van Namen(1672-1673) werd er slechts 69 gulden toegewezen aan François d'Otreppe voor de vernieling van het kasteel en z'n burcht. Dit lijkt een bespottelijk laag bedrag. Op de gravure van Remacle Le Loup(1744) is die vernieling nauwelijks zichtbaar, slechts enkele onderdelen van de muren in ruïnes.

Het kasteel

Deze grote landsheersresidentie is gevestigd op een rots van het type afgesloten spoor omwald met torens. Het domineert Bouvignes en strekt zich uit over 3 terrassen gëorienteerd van zuid naar noord. Het kasteel heeft een oppervlakte van ongeveer 44 hectare met een lengte van 160m en een breedte van gemiddeld 25m. Het bovenste gedeelte, waar de Romaanse slottoren zich bevindt, bereikt een hoogte van 142m, terwijl het lager gelegen gedeelte een hoogteverschil van ongeveer 25m heeft. De site wordt gescheiden in het westen door een ravijn van ?la Val ? en in het oosten door de Maas, terwijl een grote gracht uitgesneden uit de rots alle toegang vanuit het zuiden verbood. Men kan niet met zekerheid het tijdstip van de bouw van de slottoren, het oorspronkelijke gedeelte van het graafskasteel en z'n omsluiting bepalen. Aan de hand van de vierhoekige structuur van 15m op11m50, de dikte van de muren van ongeveer 2m50 en de ceramiek die men vond tijdens de opgravingen in 1966, situeert men z'n oorsprong op het einde van de 11e eeuw of in de loop van de 12e eeuw. Tot het midden van de 12e eeuw (behalve enkele kleine gebouwtjes aan de omsluiting) vormt de slottoren bijna op zich het geheel van het kasteel. Men stelt wel vast dat hij door z'n ligging en z'n vesting niet alleen kon instaan voor de volledige verdediging van de beginnende agglomeratie. De slottoren situeerde zich op het uiterst zuid-westelijke punt van Bouvignes terwijl de ontwikkeling van de stad zich voornamelijk meer naar het noorden situeerde. Vandaar het strategische belang van de opbouw van de toren van Crèvecoeur. In augustus 1188 wordt de versterkte site belegerd en binnen de 15 dagen ingenomen. De gedeeltelijk vernielde slottoren brandt af. Het geheel wordt hersteld en meer versterkt. In 1213 ontvangt Bouvignes z'n charte de franchise  en krijgt toestemming om z'n eerste stadsvestiging op te bouwen rond het kasteel.
In de 13e eeuw le site castral, wat nu chattelenie is, ontwikkelt zich op complexe wijze over de twee lager gelegen terrassen in de richting van de kerk. Een omwallingsmuur zal het geheel van de kaap afbakenen waarbij een grote ruimte wordt ingesloten die binnenkoer heet. De gemeenschappelijke gedeeltes worden tegen de omwalling aangezet,zoals een grote zaal,stallen, een regentank, een kelder en een kapel benoemd in 1253 en opgedragen aan Sainte-Cathérine. Het uiterste noorden van het kasteel is meer bekend tegenwoordig dankzij de archeologische werken van 1979 en 1982. Het noord-westen bestaat uit een uitkijktorentje, terwijl er een poterne is aangebouwd aan een overhangende toren op de plaats Bailliage. De Châtellenie wordt in de 13e eeuw versterkt in het zuidelijke gedeelte door de bouw van een krachtige driehoekige uitloper, die opnieuw verdwijnt na de heraanleg van de slottoren de eeuwen erop. Bouvignes die het administratief centrum was geworden van een bailliage (een groot district die veelkleine plaatsen opneemt) werd onder de autoriteit van een kasteelheer of bailli geplaatst behorende bij de graaf van Namen met als woonst in het kasteel. Andere gebouwen werden gebouwd of ingericht in dit tijdperk om aan deze functie te voldoen. De tekst vermeld: la chairie of de woonst van de ontvanger, opslagplaatsen om de inbeslaggenomen produkten van uitstaande schulden op te slaan, een geldatelier, slaapplaatsen voor de bewakers en de wachtposten, keukens en broodovens, een paardenmolen en een manuele molen en een gevangenis.
In de 14e eeuw wordt de relatie met Dinant steeds slechter en er is een conflict in de maak. De schermutselingen van vorige eeuw maken plaats voor een belegsoorlog. Deze maakt het nodig dat het kasteel aanzienlijk moet worden versterkt. De kroniek van Floreffe meldt dat Marie d'Artois de slottoren liet heropbouwen of wat waarschijnlijker lijkt de toren liet verbouwen na 1331. Binnen de omwalling van het kasteel was er een dagelijkse onophoudelijke komen en gaan van bewoners, terwijl de toegang werd bemoeilijkt. Het kasteel had 2 ingangen. De hoofdweg die zich in het zuiden bevond kwam uit de hoogte van Meez en mondde uit op een portaal in een toren die de toegang regelde. Deze toren werd voorafgegaan door een boulevard die zonder twijfel een schietgat bevatte. Een vaste brug overbrugde een gracht waar de valbrug van de portaaltoren uitkwam. ?De quote weggelaten ? Een tweede uitgang werd in het lager gelegen gedeelte van het kasteel ingebouwd. Een trap die uitkwam op een poterne bood onmiddellijke toegang tot de stad.
In de 15e eeuw wordt Bouvignes opnieuw belegerd door de luikse troepen(1430). Het hardnekkige verzet van de bevolking loopt uit op aanzienlijke schade aan het kasteel. Het gewelf van de zalen en de torens werd vernield. De omwalling was ernstig beschadigd en de brug stortte in. Volgens de gemeentelijke rekeningen werden de herstellingen in een tijdspanne van tientallen jaren verricht.
Beetje per beetje verliest het kasteel dat eerder een residentieel, gerechtelijk en administratief centrum was, zijn verdedigende rol en wordt overgenomen door de toren van Crèvecoeur, die beter was aangepast voor de gewapende gevechten. Met de vernieling van de stad in 1554 houdt het kasteel ook op te bestaan. Men verricht nog enkele werken maar men zegt ? ”le chasteau est demolie et aruyné”