Ville de Dinant NL
De thermen van Furfooz  

De thermen van het natuurpark van Furfooz

Van 24 tot 30 mei 2004 liep een archeologisch experiment op de site van het natuurpark van Furfooz, eigendom van de stad Dinant. Op verzoek van de heer Christophe Goffin, conservator van het park, stelden wij het verwarmingssysteem met hypocaustum van de thermen van de site in werking. Doel van dit experiment was de gehaalde maximale temperaturen te noteren in het bekken met warm water en het bekken met lauw water. Als voorwoord schetsen wij hier kort de geschiedenis van deze toplocatie van de menselijke bewoning in de Dinantse regio.

Een natuursite met ruimte voor de mens

Op zowat zes kilometer van Dinant prijkt een indrukwekkend rotsmassief dat omgeven wordt door een lus van de Lesse. De top wordt ingenomen door een langgerekt plateau dat de naam Hauterecenne of Haute-racine draagt.
In de geologische tijdperken sneed de rivier bij de vorming van haar bed, op de rechteroever een steile klif uit die vandaag meer dan 60 meter boven de waterloop uittorent. Door de insijpeling van het water van de Lesse in diepe spelonken ontstond een hydrografisch net, dat zo vorm gaf aan talrijke grotten en holen, die uiteraard zeer geschikt waren voor de vestiging van de prehistorische mens. Het is inderdaad in dit tijdperk dat de vallei van de Beneden-Lesse archeologisch van uitzonderlijk belang is. De Dinantse archeoloog Edouard Dupont was één van de eerste om deze grotten te verkennen, in de negentiende eeuw. Zijn onderzoek leverde tal van getuigenissen op van de menselijke bewoning van de site van Furfooz in het Paleolithicum en het Neolithicum.
Ook het plateau zal een plek met een vanzelfsprekend archeologisch potentieel blijken. Het wordt in de negentiende eeuw bestempeld als versterkt schuiloord en zal vanaf 1835 stelselmatig verkend worden. Het is de voorzitter van de Archeologische Maatschappij van Namen (Société archéologique de Namur), Alfred Bequet, die het initiatief nam voor de eerste opgravingen in 1876-1877.

De thermen

Op de zuidelijke helling van het plateau werd een bijzonder grote ontdekking gedaan: de resten van een klein kuuroord uit de Gallo-Romeinse tijd en een rijke necropool uit het late keizerrijk in de schoot van die resten. De vijfentwintig onderzochte graven in de funderingen en vlakbij de badinrichting, bewezen dat hier tussen het laatste derde van de vierde eeuw en het prille begin van de vijfde eeuw begrafenissen plaatsvonden. De wetenschappelijke waarnemingen van het uitgegraven archeologisch materiaal maakten mogelijk om te bepalen dat het om militairen en hun gezinnen gaat.


Het thermengebouw heeft een oppervlakte van 75 m² en stond op een klein terras aan de zuidelijke flank van het plateau. Het gebouw omvat de traditionele elementen van Romeinse thermen, namelijk:  een zaal met warme baden (caldarium) en een lauw bad (tepidarium) en een zaal met koud bad (frigidarium).
De grootste kamer (6m20 x 2m87), met vloerverwarming, bevat een halfronde badkuip (caldarium) in de as van het verwarmingskanaal, en een tweede in trapeziumvorm (tepidarium). Het koude bad, in de vorm van een halfronde apsis, staat iets apart, in een uitsprong van een klein vierkant vertrek.
Er kon een datum op geplakt worden door de vondst van stukjes van gestempelde dakpannen (TRPS), die zeer verbreid waren in het vroege keizerrijk, maar ook naar analogie met de bouwmaterialen en –technieken die werden toegepast voor de bouw van de dekmuur op het plateau. Volgende chronologie werd voorgesteld: gebouwd in de loop van het laatste derde van de derde eeuw na Christus en achtergelaten omstreeks het midden van de vierde eeuw.

Apart aan de thermen van Furfooz is dat er geen opdeling is in de warmtekamers. Een dergelijke inrichting kan doen veronderstellen dat het koude bad aan het uiteinde van de zone stond en het lauw bad tussen het koude gedeelte en het meest verwarmde gedeelte. Het betreft hier een zeer lokale bouwtechniek, die niet buiten een geografisch gebied van zowat 100 km werd toegepast. De gebouwen dateren meestal uit de eerste helft van het midden van de tweede eeuw na Christus, met uitzondering echter van de thermen van Furfooz.

De denkoefeningen draaiden lange tijd om twee vragen. De eerste: hoe valt te verklaren dat dit thermengeheel uit het vroege keizerrijk zo helemaal afgelegen lag op deze plaats? Bepaalde auteurs verklaarden het bestaan van deze thermen door de mogelijke aanwezigheid van een Gallo-Romeinse villa in de buurt. Maar de prospecties brachten echter nooit de juiste locatie aan het licht. In elk geval en gezien de inspanningen voor de bouw wordt de bouw van deze thermen meestal in verband gebracht met het fort. Het komt wel vaker voor dat er binnen een versterking in het late keizerrijk ook thermen gebouwd werden die ermee verbonden waren. Ook in Liberchies bezit het castellum een thermengebouw aan de buitenhelling van deze vesting. 
De tweede vraag, waar nooit een bevredigend antwoord op kwam, betreft de aanvoer van het water. Er zijn geen bronnen op het plateau en dus vermoedde geoloog Van de Poel dat een waterleiding het water naar de thermen voerde, van aan een bron op zowat 600 m verder, in Fond-des-Vaux.
In 1932 (afb.1), legde J. Breuer de plannen voor een theoretische reconstructie van het gebouw voor, maar deze interessante heropbouw vond concreet pas in 1956 plaats.

De verwarming met hypocaustum

Deze verwarming (van het Grieks hypocauston = verwarming onderaan)  gebeurde met een haardsysteem (praefurnium), een gewelfde kamer met een buitenopening om het houtvuur aan te steken en gaande te houden (of houtskool). De aldus bekomen warme lucht ging rond in de ruimte onder de vloer van de verwarmde kamers. Deze vloer werd opgehangen met paaltjes  (pilettes) of metselwerk met leidingen die de warme lucht doorlieten. Hij bestond uit tegels en waterdichte mortel (suspensura). De rook en warme lucht ontsnapten langs een netwerk van kanalen/buizen van terracota (tubuli) die onder de muurbepleistering aangebracht waren.

Het experiment

Na de heropbouw van de thermen lijkt het niet meer dan verantwoord dat de bouwers vervolgens een experimentele fase startten. Helaas hebben wij geen weet van de resultaten van deze experimenten. 
In mei 2004 beslisten we dus het experiment over te doen, om de temperaturen te bepalen die in het warme en in het lauwe bad werden gehaald.
Na het vullen van de kuipen (ongeveer 1,2 m³ voor het warme bad en 1,6 m³ voor het lauwe bad) werd een daling van het waterpeil vastgesteld, als resultaat van kleine scheurtjes. Zodoende werd gedacht aan een dichting met rode klei om te vermijden dat het water zo snel wegliep. Ook de porositeit van het beton was een oorzaak, maar dan in mindere mate, voor het verdwijnen van het water. 
Na het oplossen van deze technische problemen, werd beslist om aanhoudend een vuur te laten branden in de verwarmingskamer, van vrijdag 28 mei 2004 (start om 8 uur) tot zondag 30 mei (afb. 2 en 3). Volgende temperaturen werden genoteerd:

Data/tijdstippen van de meting   (t° warm bad- t° koud bad -t° buiten)

28 mei 2004 

9h30:    15°C      16°C    19°C
13h30:   20,5°C   18°C
17h00:   25°C      20°C

29 mei 2004 


9h30:    28°C      21°C     22°C
13h30:   27°C     21°C
17h00:   30°C     23°C

30 mei 2004  

 
9h30:    27°C     20°C      18°C
13h30:  26°C     23°C
17h00:  30°C     24°C

De temperaturen stijgen dus geleidelijk door de structurele schikking van de kuipen ten opzichte van de verwarmingskamer. Het warme bad staat immers op 2 meter van de haard, terwijl het lauwe bad iets meer achterin staat. Tevens gaat de temperatuur niet hoger dan 30°C voor het warm bad en dan  24°C voor het lauw bad. Na afloop van het experiment is het een interessante vaststelling dat de temperatuur van het water de neiging heeft om op een waarde in de buurt van de maximale temperatuur te blijven, terwijl het verbruik van het hout vermindert. Dit vertelt dat de vloeren en muren van het gebouw algemeen werden opgewarmd. 
Tevens werd dagelijks een tiende van het volume water van elk bad toegevoegd. Deze aanbreng van water op 10°C veroorzaakt een lichte daling van de temperatuur van het algemeen watervolume.

Besluiten

Ondanks enkele technische beperkingen, zijn de resultaten van belang. De vraag blijft echter waarom de warme kamer (praefurnium) werd ingericht. In de meeste bestudeerde thermen bestaan de praefurnia uit een gewone opening in de gemene muur met de te verwarmen kamer. We hadden uiteraard heel wat hogere temperaturen genoteerd als dit ook in Furfooz het geval was geweest. Een verwarmingskanaal dat hier in Furfooz, maar ook in veel andere gevallen, uit twee parallelle muurtjes bestaat, diende ook als ondersteuning van een verwarmingsketel. 
En tot slot werd de reconstructie van het park van Furfooz, die hypothetisch is voor wat de hogere muren of de inrichting van de daken betreft, echter zeer nauwkeurig uitgevoerd inzake de heraanleg van het verwarmingssysteem met hypocaustum.

Pascal SAINT-AMAND
Dienst Erfgoed van de Stad Dinant
Met dank aan de heren Christophe Goffin en Vincent Baillez

 http://www.parcdefurfooz.be