Ville de Dinant NL
De Collegiale  

‘De klokkentoren van de kerk van Dinant is een reusachtige waterpot. Maar de gevel van de kerk heeft veel karakter, en de hele stad is een wondermooi plaatje’. Met deze woorden beschreef Victor HUGO op een dag in 1838, de collegiale kerk die in meer dan één opzicht een bezoek waard is.

De plaats waar het heiligdom nu staat, had blijkbaar altijd al een ‘religieuze’ bestemming. Volgens de legende kwam de heilige Maternus hier omstreeks 320 een oratorium (bedehuis) bouwen, aan de voet van de rotspunt boven de Maas. Het gebouw werd in de zevende eeuw flink vergroot, volgens sommigen in romaanse stijl. Maar dit klopt niet, want deze stijl vond in onze streken pas in de elfde eeuw ingang. In 934 verleende bisschop Richier die zelfde kerk het statuut van collegiale.
In de twaalfde eeuw werd ze heringericht, en dit keer is de architectuur wel romaans. Van deze constructie rest ons vandaag echter niets meer dan een portaal aan de noordgevel, met motieven die erg leden onder de tand des tijds.
Vervolgens vermeldt Jean d'Outremeuse in zijn kronieken dat er in 1228 een rotsblok loskwam en op een vleugel van de collegiale viel. Zesendertig mensen vonden de dood. Kort nadien zou een nieuw heiligdom opgetrokken worden. Maar net als vandaag was een dergelijke onderneming ook toen een dure zaak en het mecenaat van een Dinants burger was meer dan welkom. Het nieuwe gebouw, in gotische stijl, werd pas in de veertiende eeuw volledig voltooid, maar werd wellicht kort voordien al voor erediensten gebruikt. In 1466 ging een groot deel van de kerk in de vlammen op. Alleen de hoofdmuren bleven onaangetast. De geestelijken van de collegiale werden echter naar Hoei verbannen. Nadat de woede van de hertog van Bourgondië bekoelde, verleende hij het kapittel het voorrecht om het gebedshuis weer op te bouwen en om de woningen van de clerus die aan Dinant verbonden was, op te knappen. Ondertussen hadden de inwoners van Bouvignes zich meester gemaakt van het reliekschrijn van de heilige Perpetuus. De hertog had dan wel bevolen om alle schatten die aan de Onze-Lieve-Vrouwkerk toebehoorden, aan de eigenaar terug te geven, maar de economische en politieke rivaal van Dinant hield voet bij stuk. De zaak werd voor de Raad van Mechelen gebracht. En het reliekschrijn van de beschermheilige kwam weer naar huis. Tijdens de belegering van Dinant in 1466 door de Bourgondische troepen, was het grootste deel van de klokken ook raadselachtig verdwenen, samen met de soldaten van Filips de Goede. De gemeentelijke overheid nam het wijze besluit om de klokken die aan de plundering ontsnapten, te smelten en in de klokkentoren van het heiligdom te plaatsen. Nog geen eeuw later moesten de troepen van Hendrik II ze weghalen en naar Mézières brengen, ten zuiden van Givet. In 1473 klaagden specialisten over de gebrekkige staat van de gewelven die het hele gebouw bedreigden. Ze werden in 1478 afgebroken en herbouwd. In dat jaar kreeg ook de zuidelijke toren zijn spits. In 1554 is Dinant eens te meer het toneel van vuur en bloedvergieten. Vooral de citadel beefde onder de Franse kanonnen. Hun projectielen bereikten niet altijd enkel het kasteel, maar ook de collegiale die dan een tweede keer geplunderd werd. Een nieuwe restauratie was nodig. Ondertussen werd een bolvormige klokkentoren (de ‘ui’) gebouwd. Deze moest bovenop de toren van het stadhuis komen, dat op de brug was opgetrokken. Maar algauw werd duidelijk dat de brug in kwestie al dat gewicht niet zou kunnen dragen. En zo kwam het ding, dat veel plaats innam, op de top van de kerk terecht. Tot in de negentiende eeuw waren er voortdurend herstellingen nodig aan de collegiale, omdat het zwart marmer waar ze deels uit bestaat zo broos is. Tijdens de Franse revolutie verhuisde het reliekschrijn van de heilige Perpetuus naar Duitsland, samen met tal van schilderijen, beelden en allerlei meubels. In de negentiende eeuw onderging de Onze-Lieve-Vrouwkerk een derde grondige restauratie. In 1828 werd de vloer van de collegiale opgehoogd, om de nare gevolgen van al te veel overstromingen in de toekomst te vermijden.  Maar zo verdwenen wel heel wat talrijke grafstenen. Verstandiger was zeker de afbraak van de huisjes die zich door de jaren heen tegen de zuidgevel van het heiligdom kwamen plakken. En tot slot werd het gebedshuis op de vooravond van de twintigste eeuw, en voor het eerst sinds 1466, volledig gerestaureerd. Niet voor lang echter. Op 23 augustus 1914 steken de Duitsers de kerk nog maar eens in brand. Het dak moest daarna volledig vervangen worden. De architecten stonden voor de keuze: de collegiale inrichten in een stijl van vóór de zestiende eeuw, of de bol uit 1566 behouden. Het werd de tweede oplossing. Bovendien kreeg het gebouw zo zijn rondbogen terug die het in de negentiende eeuw kwijt raakte. Een wonder of heiligschennis?
"Un art qui a de la vie ne reproduit pas le passé, il le continue" (Kunst die leeft, herhaalt het verleden niet, maar zet het voort). Deze gedachte van Rodin, als stof tot nadenken voor de lezer.


Het engeltje van de koorlessenaar van de collegiale werd in het begin van de jaren 2000 gestolen. Dit engeltje werd in 1731 in Dinant gegoten door Gérard Collart en geboetseerd door François Sacré.