Ville de Dinant NL
Vous êtes ici :  Historisch erfg > Folklore > De Copères
De Copères  

De inwoners van Dinant worden ‘Copères’ genoemd en volgens de Dinantezen zijn er ook alleen maar in Dinant ‘Copères’ te vinden. Maar waar komt deze bijnaam vandaan? Volgens de legende zouden de Bourgondiërs die de Dinantezen twee per twee aan elkaar moesten binden en in de Maas moesten gooien tijdens de belegering van de stad in 1466, telkens gezegd hebben ‘Co one paire’ (nog een paar), vandaar de bijnaam… Maar de beroemde taalkundige Jean Haust had een verklaring die toch wat ernstiger klinkt. Volgens hem was het woord ‘copère’ afgeleid van het Franse woord ‘compère’ of makker…
Volgens de etymologen is het woord ‘Copère’ echter Germaans van oorsprong: van het Nederlandse koper, het Duitse Kufper of het Engelse  copper, het doet er niet toe. Al die woorden slaan op het metaal dat de Dinantezen als ware meesters bewerkten. Gingen ze vanaf de tiende eeuw hun koper niet halen in Keulen en nog veel verder in Duitsland? Hadden ze niet in Londen en zowat overal op de grote middeleeuwse markten een rijk en vast cliënteel? 
Dinant is trouwens de enige stad die haar nam gaf aan ambachtswerk dat in het hele middeleeuwse Europa veel faam genoot (dinanderie).

De ‘copèreries’

De inwoners van Dinant worden vaak als niet zo snugger bestempeld en krijgen soms zelfs de weinig benijdenswaardige titel van ‘beotiër van Wallonië’ (domoor). Maar hun grappige verhalen gaan vaak in de eerste plaats over zichzelf. En dat kan alleen maar van zelfkennis getuigen. Is dat trouwens niet het begin van…
Deze verhaaltjes en hun varianten werden in de vorm van korte vertellingen gepopulariseerd en door filologen verzameld en gerepertorieerd. In het land van Dinant kregen ze de naam ‘copèreries’, een benaming die afstamt van de lokale bijnaam, waarvoor meerdere verklaringen bestaan. 

Tussen Bouvignes en Dinant...

De eeuwenoude haat tussen Dinant en Bouvignes kwam onder meer tot uiting in spotternijen die de inwoners elkaar naar het hoofd slingerden. Er zijn nog sporen van die oude twisten in vertellingen, ‘copèreries’ geheten, die zich meestal afspelen tussen Dinant en Bouvignes of tussen Dinant en Namen. De rollen van de grappenmakers zijn meestal toebedeeld aan de inwoners van  Bouvignes, terwijl de Dinantezen voor de dwazen doorgaan. Hier volgen twee leuke verhaaltjes...

De ‘copères’ in Bouvignes

Er wordt twee ‘copères’ wijsgemaakt dat de nachten langer zijn in Bouvignes dan in Dinant. En dus vertrekken ze op een dag naar Bouvignes om er eens goed te kunnen slapen. De herbergier bij wie ze aankomen, ziet meteen welk vlees hij in de kuip heeft en legt ze te slapen in een hok zonder raam, waar hij zijn kazen in een glazen kast bewaart.
Na twee dagen en twee nachten, zegt de ene ‘copère’ tegen de ander:

-Ni t' cho-n-t i nin to l' min-m ki lè né son byako pu lonk a Bovègn k' a Dinant ?
(Vind jij ook niet dat de nachten veel langer zijn in Bouvignes dan in Dinant?)
-Sia, ma fwè ! (Zeker wel!)
Hij staat op om te gaan kijken of het nog geen dag is. Al tastend denkt hij het raam te hebben gevonden, maar het is een deur van de glazen kast, die hij openmaakt.
-Ké tin fé-t i ? (Welk weer is het?)
-O, i fé on sakwé drol di brouyar ki sinl' kro stofè.
(Er is veel mist die naar vette kaas ruikt.)
-Tap sa pa l'fignès, wét, di l'prumi an dnan l' po as' kamarât.
(Gooi dat door het raam, zegt de eerste, die de po aan zijn maat geeft)
L' oût ni fé ni o-n ni deu, i wît li po din l'armwèr krwèyan l' wîdi din l' rûw.
(De andere giet de po leeg in de kast, terwijl hij denkt dat hij alles op straat gooit).
Helemaal vol spatten, roept hij uit:
-Ly, lè rûw son bin strwèt a Bovègn.
(De straten zijn wel erg smal in Bouvignes.)

Het nest van klign-z-ouy

Een tuinier uit Bouvignes had zijn horloge onder zijn hoed gelegd terwijl hij werkte. Er komt een ‘copère’ voorbij. Hij hoort het tiktakkend horloge en vraagt de tuinier verbaasd wat er wel onder zijn hoed mag zitten.
-O s'ès-t on ni d'klign-z-ouy, ki dj' vin d'raskout.
(Oh! Dat is een nest knipperoogjes die ik net gevangen heb)
-Tin, dè klign-z-ouy, ké-n soût di byès è-s sa ?
(Wat voor beest mag dat wel zijn?)
-S' è dè fwâr mwéch-è byès ki vo sotrin-n o-z ouy, si on n'purdœ nin atinsyon do lè bin kouvri, mé èl tchantè si bin.
(Het zijn erg stoute beestjes die in je ogen springen als je ze niet goed zou afdekken, maar ze zingen zo mooi.)
-E vlo o-n, dji m' va vo bandè lè-z ouy.
(Wilt u er eentje, ik zal uw ogen bedekken)
De ‘copère’ laat zich blinddoeken door de zoon van de tuinier. Ondertussen vervangt de tuinier zijn horloge door koeiendrek. De ‘copère’ komt dichter en is verwonderd dat hij niets meer hoort. De tuinier zegt dan:
-N'uch nin peu, s'è k'èl dwârmè.
(Wees niet bang, ze slapen)
De ‘copère’ snapt hoegenaamd niet hoe de "klign-z-ouy" in koeiendrek konden veranderen!