Ville de Dinant NL
De Gebeurtenissen in Dinant in 1466  

Gezien door Jean, Heer van HAYNIN en van LOUVIGNIES, kroniekschrijver van Filips de Goede, hertog van Bourgondië

De tijd stond stil in Dinant, eind augustus 1466, toen de hertog van Bourgondië Filips de Goede aan het hoofd van een machtig leger de rijke en trotse stad van de koperslagers omzeggens met de grond gelijk maakte.
Korte samenvatting van de historische context
Dinant, de op twee na grootste stad van het prinsbisdom Luik, verzette zich tegen het Bourgondisch gezag, maar moest vanaf 1430 – toen het graafschap Namen eigenaar werd van de bezittingen van het huis van Bourgondië – zijn groeiende invloed ondergaan. De Dinantezen, die bekend stonden om hun twistziek en opstandig karakter, lieten geen enkele gelegenheid voorbijgaan om op te vallen. Strooptochten in het Naamse en geregelde botsingen sinds onheuglijke tijden met hun buren uit Bouvignes, die afhankelijk waren van het graafschap Namen, waren evenveel redenen voor vreselijke represailles en kwamen de stad duur te staan.
De oorlog die zich voorbereidde, moest op de eerste plaats de hertog in zijn gekrenkte eer herstellen, en tegelijk als voorbeeld dienen voor de opstandige Luikse en Vlaamse steden. Zo werd Dinant voorgoed uitgesloten van de vredesverdragen en stond de stad onvermijdelijk de wraak van de oude westerse hertog te wachten. 

Eerste veldtocht van Karel de Stoute naar het Land van Luik: de belegering van Dinant
Begin 1466 teisteren de Dinantezen het Naamse met onophoudelijke rooftochten. Ze steken hoeves en huizen in brand, gijzelen gevangenen, met het volste vertrouwen in de steun van het Luikse volk en in de beloftes van hulp van de Franse koning Lodewijk XI.

In juni 1466 stelt Karel de Stoute, na talloze onderhandelingen, zeer zware voorwaarden om de vrede te garanderen. Over deze voorwaarden is ons echter niets bekend, maar het had kunnen gaan om een hypothecaire verbintenis van de gemeente die de kleine vakgenootschappen voorgoed had onderworpen, door de afstand van de gemeentelijke vrijheden en voorrechten. Deze weigeren woedend om dit verdrag te tekenen.
De hertog laat zijn vazallen waarschuwen en bereidt de veldtocht tegen Dinant voor. De keuze valt op eind augustus, omwille van de gunstige weersomstandigheden en om genoeg voeder te hebben voor de dieren.
De troepen verzamelen beetje bij beetje in juli, onder de leiding van talloze heren. Het risico bestaat echter dat de Franse koning Dinant te hulp snelt en dus groeit de strijdmacht van de hertog flink aan.
In Namen ontmoet Filips de Goede zijn zoon, Karel de Stoute, die er toen verbleef. Vervolgens gaat hij aan boord van een schip dat de Maas afvaart naar Bouvignes. Het leger trekt op 16 augustus naar Namen en doorkruist de stad drie dagen lang. Het aantal gewapende mannen die aan de campagne deelnamen, wordt op 30.000 geraamd. Dit cijfer lijkt overdreven, maar is daarom niet onmogelijk.
De Bourgondiërs komen op 18 augustus in Dinant aan. De bastaard van Bourgondië, Anton, die de voorwacht uitmaakt, stelt zich op het veld (van Herbuchenne) op voor de strijd, ‘tegenover vijf torens’ (waarschijnlijk heeft hij het over het kasteel?), en plaatst een compagnie in de omgeving van de ‘porte Saint-Nicolas’. De rest van het leger blijft in de noordelijke buitenwijken en in de buurt van de abdij van Leffe. Wanneer de Dinantezen de Bourgondiërs zien komen, trachten ze met geweld langs de ‘porte Saint-André’ te ontsnappen naar een abdij. Maar ze worden overrompeld en moeten zich terugtrekken in de stad. In de verwarring worden alle noordelijke buitenwijken ingenomen en wordt een versterkt werk dat de porte Saint-André (bolwercq) verdedigde, ontmanteld.

In de loop van de avond slaat Karel de Stoute zijn tenten op in de abdij van Leffe, terwijl de heer van Cordes in het minderbroederklooster aan de voet van de stadsmuren verblijft. Tijdens de tweede nacht van het beleg worden twee reusachtige pothonden klaargemaakt, evenals enkele andere werptuigen, die vervolgens de muren gedurig bestoken. Een pothond en een kartouw, die in een straat van de ‘faubourg Saint-Pierre’ staan,  bombarderen de ‘porte Saint-André’. De andere pothond en een mortier bevinden zich in het midden van het minderbroederklooster. De Bourgondiërs twijfelen er niet aan dat de noordflank het kwetsbare punt van de stad is, en richten de schoten op dat punt. 

De schikking van de gebouwen van het klooster buiten de stadsmuren maakt de bombardementen van de muur tussen de porte Saint-André en de Maas een stuk gemakkelijker. Deze bijzonder hoge en dikke muur was met enorme blokken hardsteen uitgerust. De Dinantezen hadden blijkbaar zeer slechte raad gekregen, want ze staken hun buitenwijken niet in brand, wat tot gevolg had dat de Bourgondiërs ongestoord konden aanvallen. Er worden twee bruggen opgetrokken op de Maas, de ene aan de abdij van Leffe en de andere iets verder naar Bouvignes toe. In Bouvignes, net als in de abdij van Leffe, ontwikkelt zich een zeer grote markt, waar de soldaten hun mondvoorraad konden opdoen. Hertog Filips komt op de tweede dag van het beleg met de boot aan in Bouvignes.

De graaf van Saint-Pol arriveert kort nadien langs de linkeroever. Hij laat zijn kamp opslaan onder de zuidelijke muren van Bouvignes, vrij dicht bij de rivier. En hij stelt zijn leger op in de wijk van Saint-Médard. Hij geeft opdracht om op de linkeroever een grote pothond te plaatsen, die de toren op de hoek van de omwalling en de courtine langs de Maas moest verwoesten. Jean de Haynin voegt toe dat het een genoegen was om die grote en mooie ballen aan weerskanten van de rivier te zien gaan. Om de artillerie te versterken, worden de heer van Crèvecœur, baljuw van Amiens, en zijn soldaten weggestuurd om een groot werptuig te gaan halen dat in Maisière (Charleville-Mézières) was achtergelaten toen Karel de Stoute terugkwam van de zogenoemde oorlog ‘du Bien Public’ tegen de Fransen enkele maanden voordien.
Op het plateau kost een gevaarlijke uitstap van de Dinantezen (ongeveer 60 man) het leven van één van hen die met een pijl in de rug gedood wordt,  ‘ils aloite laendroit ferre manierre descermuchier a cheus de lost’.
De langverwachte hulp uit Luik komt maar niet, en dus verlaten veel wanhopige inwoners en ook mannen van de ‘Verte Tente’ de stad. Lodewijk van Bourbon, prins-bisschop van Luik, en familie van de hertog, bevindt zich in Hoei, met een grote compagnie bewapende mannen, om elke tussenkomst van de Luikse bevolking ten bate van de ongelukkige Dinantezen af te slaan.

Dagenlang regent het projectielen op de stad en wanneer de pothonden die zich op de noordflank storten, erin slagen een flinke bres te slaan, voelen de belegeraars zich al gewonnen. Maar een slimmere Bourgondiër dan de rest beklimt de muur en begint zo hard te gillen dat het leger dat in Bouvignes gelegerd lag, het hoort. Hij wordt echter gedwongen om de muur weer af te dalen wanneer de Dinantezen toestromen naar de plaats van de bres. Ook de troepen komen toegesneld, maar moeten onverrichter zake vaststellen dat de bres te smal is voor een bestorming. Zonder verwijl slaan de verdedigers in de stad balken tegen de beschadigde muur, en kloppen dikke palen in de grond. Tegelijk maken ze de gewelfde doorgang van de porte Saint-André dicht.
‘s Nachts komt het bevel om de bombardementen op te voeren, vertelt Jean de Haynin. De kreten van bange vrouwen en kinderen weerklinken. De gloeiende materialen die op de stad vallen, doen overal brand ontstaan. De goed georganiseerde Dinantezen hadden tonnen vol water aan elk huis laten plaatsen. Maar veel mocht het niet baten. Op zaterdag 23 augustus stort de hoektoren van de noordflank in en alweer doet het gerucht bij de troepen de ronde dat de bestorming nu wel gauw zou gebeuren. De volgende dagen steken de soldaten het gebinte van de ingestorte toren in brand en enkelen tientallen veldslangen lossen urenlang hun schoten in die richting. De belegerden kunnen de brand maar niet blussen of de bres dichten, want deze was maar heel moeilijk te bereiken omdat de huizen in de stad dicht bij de muren stonden en de veldslangen maar bleven schieten. Op maandag 25 augustus, omstreeks drie of vier uur in de namiddag, terwijl het Bourgondische leger zich opmaakt om de stad in te nemen, sturen de overblijvende Dinantezen, die het na acht dagen beleg niet meer zien zitten, een woordvoerder om te onderhandelen over hun overgave. Filips de Goede beveelt dat ze zich onvoorwaardelijk moeten overgeven en dat hij de sleutels van de stad moet krijgen. Dat gebeurt dan ook omstreeks vijf of zes uur in de namiddag. Meteen krijgen alle poorten van de stad bewaking en enkele heren schuimen de straten van de stad al af, maar zonder enig geweld.  Pas omstreeks middernacht worden hier en daar plunderingen gemeld.

Dinant wordt ingenomen door Karel de Stoute en enkele andere heren, maar er was geen bevel gegeven om te plunderen en de toegang tot de stad was verboden. Filips de Goede en zijn zoon beraadslagen dan over het lot van de ongelukkige stad. In de ochtend van dinsdag 26 augustus begint de belegering van Dinant. De soldaten nemen de stad in onder het bevel van Jacques de Montmartin, die ze straat per straat en wijk per wijk logies toewijst. Sommige die de stad al op maandagavond hadden betreden, ondanks het verbod, worden opgespoord en aangemaand om te vertrekken. Maar wellicht hadden ze toen al hun slag geslagen (wie eerst komt,…).
In de namiddag van de zesentwintigste, doet de graaf van Charolais zijn intrede. De stoet komt de stad binnen langs de grote bres die in de muur was geslagen aan de kant van de minderbroeders. Voorop loopt een fraai gezelschap van boogschutters te paard, twee per twee, gevolgd door een groot aantal klaroenen en trompetten. Dan volgen de herauten en begeleiders, en vier heren in wapenrusting en met de wapens van de hertog. Karel de Stoute komt dan op zijn beurt de stad binnen, omringd door acht pages en enkele grote heren, graven en baronnen, onder wie Anton, de bastaard van Bourgondië. Ridders en soldaten te voet sluiten de stoet. De Dinantezen zijn erg verrast door deze optocht van gewapende mannen en grote heren, die het vaandel van de hertog dragen. Ze worden zich eindelijk bewust van de macht van het Huis van Bourgondië dat ze zo dapper hadden uitgedaagd.
Zodra bekend wordt dat de stad ingenomen is, stromen de handelaars uit de Bourgondische landen toe, in de hoop om alles te kopen dat te koop is.  Nooit voordien pendelden zoveel boten vol voorwerpen tussen Dinant en Namen.

Op donderdag 28 augustus geeft de graaf van Charolais alle vrouwen het bevel om de stad vóór zonsondergang te verlaten. Dat doen ze, vol droefheid en met veel tranen, want ze laten hun echtgenoten, vaders, zonen of vrienden achter aan de toorn van de oude hertog. Alle mannen die in de stad worden gevonden, worden gevangen genomen, in afwachting van hun vonnis. 

Op vrijdag 29 augustus, omstreeks middernacht, breekt brand uit in een huis in de buurt van de Onze-Lieve-Vrouwkerk, maar niemand weet of dit een ongeluk of opzet is. Niettemin koesteren velen het plan om de stad plat te branden. De brand was best snel te blussen, maar niet alleen waren de huizen allemaal van hout en stonden ze opeengepakt, er wordt ook maar weinig moeite gedaan om het vuur een halt toe te roepen. 
Het dreigende vuur versnelt de rooftochten die lang niet ten einde waren. Karel de Stoute wou de sterk bedreigde collegiale kerk beschermen, maar helaas was het dak al ten prooi gevallen van de vlammen. Hij slaagt erin om het reliekschrijn van de heilige Perpetuus en een aantal cultusvoorwerpen te redden, die daarna aan het kapittel van de Saint-Lambert kerk in Bouvignes werden overhandigd. Hij geeft ook het bevel om kelken, bekers, relieken en andere religieuze voorwerpen terug te halen, evenals de klokken van alle kerken van de stad. Deze parels van edelsmeedkunst werden over de Bourgondische staten verdeeld.
De brand woedt hevig, geholpen door het droge en warme weer. Bijna de hele stad staat in brand. Dinantezen die wisten te ontsnappen aan het gezag van de hertog, verschuilen zich in het gebinte van de Onze-Lieve-Vrouwkerk, maar ook dit ontkomt niet aan het vuur. Ze kunnen niet anders dan in het smeulende hout springen.
In de ochtend van zaterdag 30 augustus is de brand van dergelijke omvang dat de troepen de stad ontruimen. Jean de Haynin verneemt dat de inwoners van Bouvignes de huizen die tot dan toe gespaard bleven, in brand staken. Pierre de Leynestienne, hoofdkanonnier die door Dinant in dienst was genomen om de stad te verdedigen, wordt opgehangen, terwijl enkele gezellen in Bouvignes worden verdronken.
De terechtstelling van de Dinantezen, die per twee aan elkaar gebonden in de Maas werden gegooid, is volgens Jean de Haynin zeker geen legende. Dit zou op deze manier gegaan zijn omdat ze zouden gezworen hebben samen te leven of samen te sterven, wat er ook gebeurde.
Met de handen en voeten gebonden, per twee, drie of vier, worden ze neergezet op de rand van een schip in het midden van de rivier tegenover Bouvignes. Na hun biecht worden ze in het water gegooid. Sommige komen weer aan de oppervlakte, maar worden meteen naar beneden getrokken door de bewegingen van hun even onfortuinlijke makkers. De martelaars worden naar hun plaats van terechtstelling gebracht, samen met hun vrouwen, kinderen of familie en mogen nog een laatste keer met hen praten alvorens te sterven… «estoit unne tres grant pite a voir les piteus mos et les piteus congie quil prenoite».
Al wie deze eed had gezworen, stierf op deze manier.
Kenmerkend voor de verwoesting van Dinant is de meedogenloosheid. Deze uitbarsting van geweld doet denken aan de vernieling van Carthago. Karel deed Scipio na als hij over de ruïnes ijzer en zout laat strooien, om de bodem onvruchtbaar te maken. 
Nooit mag men denken de prins ongestraft te kunnen vernederen: dat is de les van Dinant.